Om het karakter van de huidige Hollandse herdershond (beter) te begrijpen is het nodig om een sprong in de geschiedenis te maken. Naar de tijd dat de heidevelden nog volop begraast werden door schapen.
Een herdershond toendertijd was dé hond van de herder. De taak van de herder was om de schapen te hoeden en te bewaken. Zijn hond hielp hem daarbij. Zij moesten vooral op grote afstanden met elkaar samenwerken. Hierbij werd van de hond verlangd de ene keer zelfstandig op te treden en een andere keer gehoorzaam uit te voeren wat zijn baas van hem vroeg.
Niet alleen hoeden en bewaken behoorden tot de taken van een herder. Een herder had in zijn harde en sobere bestaan vaak bijbaantjes waarbij zijn hond hem vergezelde onder zware omstandigheden, in weer en wind, lang niet altijd met een goed gevulde buik en vele kilometers afleggend. Werd de hond te oud dan was er altijd wel een boer die zo’n Manus van alles op en rond zijn erf goed kon gebruiken.
Uit deze veelzijdige werkhond die gericht was op zijn baas, weinig eiste en aangepast was aan het karige bestaan, is onze huidige Hollandse herdershond ontstaan.
Omdat alle herdershonden er verschillend uitzagen, werd er vanaf het begin van de 20ste eeuw een rasstandaard samengesteld. Er kwamen 3 varieteiten: ruw-, lang- en kortharen in de kleuren goud- en zilvergestroomd. |